Draai- en gietwerk

Het maken van keramiek begint natuurlijk altijd met klei: in vloeibare vorm om in een mal te gieten, of in een "broodje" van 10 kilo. Sommige dingen kunnen moeilijk gedraaid worden op een schijf - denk bijvoorbeeld aan een vierkante pot - en hiervoor worden vaak gietmallen van gips gebruikt. De vloeibare klei wordt hierin gegoten, de mal blijft een tijd staan zodat de klei zich kan afzetten op de wand, en vervolgens leeggegoten, na het opstijven geopend en de gietnaden worden afgewerkt. Vaak combineer ik gietwerk met geboetseerde of gedraaide details.

Het meeste werk wordt gedraaid op de draaischijf nadat een homp klei goed gekneed is zodat het geen luchtbellen meer bevat. Ook hier kunnen, nadat het stuk is opgesteven, weer geboetseerde of soms gegoten details worden aangebracht. Ook gravures of relief wordt in deze leerharde fase aangebracht. Grote, hoge stukken worden meestal in meerdere delen gedraaid, wat veel vakmanschap en tijd eist om het stuk tot een mooi, vloeiend geheel te maken.

Na grondig drogen wordt het stuk biscuit gebakken op ca. 900 graden C; hierna is het klaar om geglazuurd te worden. Omdat er bij het glazuren veel water wordt aangebracht op het stuk, is een eerste bak noodzakelijk zodat het stuk niet vervormt of bezwijkt onder het toegevoegde water.

In feite vormt een glazuur een glaslaag die het stuk waterdicht maakt en, indien het gekleurd glazuur is, meteen van een decoratieve kleur voorziet. Wanneer het stuk vooraf geschilderd is, wordt er een transparant glazuur aangebracht. Een glazuur geeft een werkstuk naast een mooie afwerking ook veel additionele sterkte.

In wezen is een glazuur niet meer dan een samenstelling van natuurlijke materialen in een bepaalde verhouding. Componenten als silica, kwarts, kaolien en krijt komen in de meeste glazuren voor en oxydes als kobalt, koper, mangaan en tin bepalen de kleur die ontstaat. Glazuren smelten uit tussen de 950 en 1300 graden C.; bij afkoeling ontstaat dan de typische glaslaag. Veel glazuren maak ik zelf, wat soms wel lange "trial and error" processen oplevert, maar soms ook onverwachte mooie verrassingen.

Hoewel veel van de stoffen die aan een glazuur worden toegevoegd giftig zijn in hun natuurlijke vorm, zoals kobalt, zijn zij na versmelting en afkoeling volkomen inert en daardoor ook geheel ongevaarlijk. Oxides hoeven slechts in zeer kleine hoeveelheid toegepast te worden: 1 procent kobalt, bijvoorbeeld, geeft al een zeer krachtig blauw in een glazuur.

Een aparte glazuurafwerking vormt gelusterd werk, waarbij het stuk eerst met transparant glazuur wordt gebakken. Hierna worden een of meerdere metaallusters aangebracht, waaronder brons, parelmoer, koper, zilver of goud, waarna het stuk opnieuw wordt gebakken op 750 graden Celcius. De prachtige glans en schittering maakt een dergelijk stuk heel bijzonder.

Het glazuren van werk is de spannendste fase: het is altijd weer afwachten wat je aantreft wanneer de oven geopend wordt!